Referentieniveaus spelling

Referentieniveaus voor spelling, interpunctie en grammaticale begrippen voor werkwoords-spelling (specificatie van kerndoel 11). Beheersing; 75% van alle leerlingen in de leeftijdsgroep/ niveaugroep heeft een kans van 80% goed.

Spelling 1F 1S=2F
1 Alfabetische spelling
Hier gaat het om het volgen van de beschaafde Nederlandse uitspraak: dezelfde klank heeft dezelfde letter. De basiskennis is de klank-tekenkoppeling, ook voor bijvoorbeeld oe, ui. Allofonen (v/f; z/s afwisseling) kunnen hierbij gerekend worden. Eind groep 3 wordt deze categorie beheerst.
+
2 Orthografische spelling
Hier gaat het om autonome regels over de grens van lettergrepen heen: woorden met sch, ng, nk, aai, ooi, oei, ch(t), -eeuw, -ieuw, -uw, -ee, de ë in ie of ieë, medeklinkerverdubbeling, open lettergrepen, kleefletters behoren tot deze categorie.
+
3 Morfologische spelling
Hieronder vallen de schrijfwijze van achtervoegsels, de meervoudsvorming, de verkleinwoordsvorming, regel van gelijkvormigheid bij assimilatie (zakdoek/zaddoek), vorming bijvoeglijk naamwoord. Moeilijke gevallen zijn:
+
a. meervoud –s na klinker (meisjes, garages, fuchsia’s, cafés) +
b. verkleinwoord na open klinker (parapluutje) +
f. ’s in ’s ochtends +
g. stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op –en +
h. meervouds –n bij zelfstandig gebruikte verwijzing (allen versus alle) +
i. wel/niet –n in samengestelde woorden +
4

Morfologische spelling op syntactische basis
Werkwoordspelling, waarvan een deel zuiver morfologisch is, zoals tegenwoordige tijd meervoud, verleden tijd van werkwoorden met stam of –d (antwoordde(n), hele werkwoord.

Gebruik makend van syntactische kennis: persoon en getal van het onderwerp is leidend voor de spelling (persoonsvorm), de functie van het werkwoord moet worden bepaald (persoons-vorm, infinitief, voltooid deelwoord). Homofonen zijn hier de moeilijkste problemen (verhuisd/verhuist, beleeft/beleefd): kennis van de functie is hier noodzakelijk. Moeilijke gevallen:

+
Persoonsvorm
a. homofone gevallen: tt. stam op –d enkelvoud (hij wordt/word) +
b. tt. (klankvaste of zwakke) wwoorden, enkelvoud +
c. vt. (klankvaste of zwakke) wwoorden met stam op –d of –t +
6a. Spelambigue woorden +
1. Hoofdletters en punten +
2. Vraagtekens, uitroeptekens en aanhalingstekens +
3. Hoofdletters bij eigennaam en directe rede +
Overige regels +
afbreekregels