Spelling in het basisonderwijs

Wat weten we op basis van onderzoek over effectief spellingonderwijs in Nederland?

In het project Het Taalonderwijs Nederlands onderzocht is een inventariserende literatuurstudie verricht van het domein spelling (Bonset & Hoogeveen 2009). Uit dit onderzoek komen onder andere de volgende bevindingen:

  • Het belang van fonologische vaardigheden bij aanvankelijk spellen: auditieve analyse, foneem-grafeemkennis en - koppeling, fonemische conceptualisatie en segmentatie en letterkennis blijken allemaal positief samen te hangen met de vaardigheid in spellen.
    De fonemische strategie, waarbij de beginnende speller woorden analyseert in spraakklanken (fonemen) en deze koppelt aan geschreven telkens (grafemen) die in de juiste volgorde op papier worden gezet, speelt een prominente rol bij aanvankelijk spellen. De orthografische of woordbeeldstrategie lijkt slechts op de achtergrond en in later fase een rol te spelen.
  • Spellingtaken die positief samenhangen met spellingvaardigheid zijn mondeling spellen en naamschrijven. Woorden veelvuldig aanbieden en hardop laten lezen, zonder een beroep te doen op de fonologische strategie en lezen, zijn geen geschikte manieren om spellingvaardigheid te leren.
  • Uit het beginsituatieonderzoek naar voortgezet spellen komt het volgende naar voren met betrekking tot kennis, vaardigheden en strategieën van de speller:
    • bij relatief jonge leerlingen uit het speciaal onderwijs hangt segmentatievaardigheid (als onderdeel van de fonologische strategie) positief samen met de vaardigheid in het spellen;
    • bij oudere leerlingen uit regulier en speciaal basisonderwijs hangt kennis van spellingsregels positief samen met de vaardigheid in het spellen.
    • bij oudere leerlingen hangt het gebruik van de woordbeeldstrategie (spellen op basis van ingeprente woordbeelden) positief samen met de vaardigheid in het spellen.
  • Met betrekking op de invloed van woordkenmerken op de prestaties van spellers en de invloed van de spellingtaak op de prestaties van spellers is het volgende te concluderen:
    • het spellen van woorden met een vast woordbeeld levert minder fouten op dan het spellen van woorden met een variabel woordbeeld;
    • bij de groep woorden met een variabel woordbeeld levert vooral het spellen van de homofone werkwoordsvormen (gebeurd/gebeurt, word/wordt) fouten op;
    • de frequentie waarmee een woord of werkwoordsvorm voorkomt en de context waarin het staat, zijn van invloed op het al dan niet correct spellen van het woord;
    • leerlingen maken in dictees meer fouten dan in vrije stelopdrachten, maar in vrije stelopdrachten maken zij fouten die zij niet maken in dictees.
  •  Een paar aanpakken blijken effectief bij het aanvankelijk spellen: de uit het speciaal onderwijs afkomstige aanpak van Schraven (met een sterk beroep op de fonologische strategie), de instructiemethode visueel dictee ( die relatief meer beroep doet op de woordbeeldstrategie), en het multimediale programma Leescircus. Deze aanpakken zijn alle gericht op leerlingen met een lees- en spellingachterstand.
  • Opvallend is de grote hoeveelheid positieve effecten die uit het effectonderzoek naar voortgezet spellen naar voren komt. Dat geldt met name voor de algoritmische aanpak van de werkwoordsspelling.
  • Didactische maatregelen die positief effect lijken te sorteren, zijn het geven van positieve (vooruitgangs)feedback bij het leren spellen, het individualiseren van het spellingonderwijs en soms het coöperatief leren in duo's in de middenbouw.
  • Belangrijk is tenslotte de bevinding dat stelonderwijs, zowel vrij als begeleid, een positief effect heeft op de vaardigheid in het spellen, ook bij zwakke spellers die in hun teksten veel spelfouten maken. De resultaten van het spellingonderwijs daarentegen lijken niet overgedragen te worden naar het schrijven van teksten. Leerlingen zetten de ten behoeve van dictees en spellingtoetsen verworven kennis en vaardigheid niet in bij hun eigen schrijfwerk, noch tijdens het schrijven, noch in een controlefase na het schrijven. Onderzoek dat dit transferprobleem nader verkent en er oplossingen voor ontwerpt en beproeft, is naar mening van de auteurs noodzakelijk als het gaat om het verbeteren van de spelling in het eigen schrijfwerk van leerlingen en studenten.

Spelling in het basisonderwijs: Een inventarisatie van empirisch onderzoek
Door: H. Bonset en M. Hoogeveen
Uitgave: Enschede, 2009