Werkwoordspelling

Inhoud

De spelling van de werkwoorden vormt een aparte groep. Een belangrijk kenmerk van werkwoorden is dat ze kunnen veranderen van tijd, persoon en getal.

  • Ik loop naar huis. Ik liep naar huis. = verandering van tijd, van tegenwoordige tijd (loop) naar verleden tijd (liep)
  • Ik loop naar huis. Hij/zij/jij loopt naar huis. = verandering van persoon
  • Ik loop naar huis. Wij lopen naar huis. = verandering van getal 

Indeling en voorbeelden van de inhoud van het spellingonderwijs
Groep Spellingpatroon/Categorie Voorbeeld
werkwoorden regelmatig vertellen, gebeuren, werken, enzovoort
onregelmatig kopen, weten, zijn, enzovoort

Instructie

Vaak worden alle werkwoorden (regelmatige en onregelmatige) als aparte groep behandeld in het onderwijs. Door de werkwoorden echter in de verschillende groepen en categorieën onder te brengen, kan het aantal moeilijkheden tot een minimum worden beperkt. Bijna alle vormen van de onregelmatige werkwoorden kunnen bijvoorbeeld ondergebracht worden in een van de andere instructiegroepen. Een voorbeeld:

  1. ‘Koop’ is een ‘luisterwoord’. Je schrijft het woord zoals je het hoort.
  2. ‘Koopt’ hoort tot de regelwoorden en de categorie ‘eind d/t’. Het woord langer maken en dan hoor je of je een /d/ of een /t/ aan het eind moet schrijven.
  3. ‘Kocht’ is een analogiewoord en behoort tot de categorie wachtwoorden. Korte klank + /cht/ gaat als de ‘ch’ van ‘wacht’.
  4. ‘Gekocht’ bestaat uit twee delen die elk in een andere groep horen. ‘Ge’ behoort tot de ‘regelwoorden’ en ‘kocht’ tot de wachtwoorden.
  5. ‘Ge’ behoort voorts tot de categorie ‘ge-be-ver’. Voorvoegsel ge, be, ver: je hoort een /u/ je schrijft een ‘e’.

Instructieprincipes voor de didactiek van de spelling
Groep/ Instructieprincipe Spellingpatroon/ Categorie Strategie
werkwoorden regelmatig stam + t-strategie, langermaak-strategie, enzovoort
onregelmatig één van de bovenstaande instructieprincipes

Didactiek

In de praktijk blijkt dat de werkwoordspelling voor alle leerlingen problematisch is. Mocht een leerling dit of onderdelen beheersen, dan mag hij/zij bijbehorende oefeningen overslaan. Indien niet, dan doet de leerling mee met de uitleg en maakt hij de oefeningen over de werkwoordspelling.