Inhoud, instructie en didactiek

Inhoud

Voor de spelling van woorden baseren we ons op vier grondregels:

  1. De regel van de standaarduitspraak (je schrijft een woord zoals je dat in het Standaard Nederlands uitspreekt).
  2. De regel van de gelijkvormigheid (je schrijft 'hond' met een 'd' achteraan, omdat we in het meervoud 'honden' zeggen.
  3. De regel van de analogie (je schrijft 'hij wordt', want 'hij werkt', je schrijft 'grootte', want ook lengte).
  4. De regel van de etymologie (je schrijft het woord naar de oorspronkelijke vorm. Je schrijft 'conciërge' (uit het Frans afkomstig) maar ook 'wei' naast 'wij'.

Bij de opbouw van de leerinhoud van spelling brengen we de meest voorkomende spellingpatronen die in de basisschool worden aangeboden onder in groepen:

Indeling en voorbeelden van de inhoud van het spellingonderwijs
Groep Spellingpatroon / Categorie Voorbeeld
luisterwoorden klankzuivere woorden bon, gras, vliegtuig
-rm / -lk- / -rk, enzovoort arm, kolk, kerk
-f / -s  zeef, paars
analogiewoorden -nk stink
-ng ring, gangkast
-cht wacht, uitzicht
regelwoorden -eer / -eur / -oor speer, speur, spoorloos
-d / -t /, -b / -p klad/spat, web/stap
ge- / be- / ver- gevaar, bedrijf, verbaal
-je / -tje / -pje muisje, feestje, boompje
-ig / -lijk treurig, gevaarlijk
weetwoorden k  wordt  c conducteur
s  wordt  c cent
zju  wordt -ge garage

Instructie

De groepen spellingcategorieën vormen tevens het uitgangspunt voor de mogelijke instructieprincipes:

  • luisterprincipe
  • analogieprincipe
  • regelprincipe
  • inprentingsprincipe
  • werkwoord 'principe'

Op basis van deze instructieprincipes krijgen leerlingen strategieën aangereikt om een 'spellingprobleem' (uiteindelijk zelfstandig) te leren oplossen. Volgens Aarnoutse en Verhoeven (2007) hebben kinderen met lees- en spellingproblemen veel baat bij directe instructie met veel aandacht voor structuuroefeningen en algoritmen. Bij alle leerlingen, maar nog explicieter bij leerlingen die moeite hebben met spellen dient de leerkracht handelingen hardop voor te doen en de leerling denk- en spellingstrategieën aan te reiken.

Een instructiemethodiek waarbij aanspraak wordt gedaan op verschillende (zintuiglijke) aspecten is waarschijnlijk het meest effectief. Dus:

  • zowel het zien en horen van woorden;
  • het spellen van woorden uit het geheugen en het daadwerkelijk schrijven van woorden;
  • directe feedback om herhaling van fouten te voorkomen.

Instructieprincipes voor de didactiek van de spelling
Groep/Instructieprincipe Spellingpatroon/Categorie Strategie
luisterwoorden/luister-instructieprincipe

alle klankzuivere woorden
of hakwoorden

je schrijft het woord zoals je het hoort
analogiewoorden/analogie-instructieprincipe alle analogiewoorden (...) schrijf je net als (...)
regelwoorden/regel-instructieprincipe alle regelwoorden

diverse regels afhankelijk van het type.

voorbeeld eer/eur/oor: je hoort een /e/, /u/ of /o/ maar je schrijft /ee/, /eu/ of /oo/ 

weetwoorden/inprentings-instructieprincipe weetwoorden vaak zien, overschrijven en dergelijke

Didactiek

Op basis van de inhoud van de spelling en de instructieprincipes kan de didactiek van de spelling worden vormgegeven:

Didactiek van de spelling
Groep Categorie Denkwijze/ Strategie Voorbeelden
luisterwoorden 1 klankzuivere woorden: hakwoorden, -rm/ -lk, -f/-s en tweetekenklanken je schrijft het woord zoals je het hoort (bijvoorbeeld tussen  -rm geen /u/, want r en m zijn 'vriendjes' struik, prikpen,
arm, melk
zeef, klas
ui, au
analogie woorden 2 -ng je schrijft een woord als een ander woord (bijvoorbeeld bank en dank, daar zit tussen 'nk' geen 'g' ) ring
3 -nk pink
4 -cht zacht
regelwoorden 5 eer/eur/oor 

je schrijft een woord volgens een regel

bijvoorbeeld hoor je aan het eind een /t/ of /p/ dan langer maken, dan weet je of je het met een t/p of d/b moet schrijven

speer/beurt/koor
6 aai/ooi/oei  fraai/mooi/knoei
7 ieuw/eeuw nieuws/sneeuw
8 eind -d, -t, -b,-p brood, web
9 ge- be- ver- gevaar, bedrijf, verlies
10 -jetje huisje, boompje, spoortje
11 tweelettergrepen struiken, petten, koken, elke
12 hoofdletter   b/B, uu/Uu, o/O, ui/Ui
13 -ig, -ijk veilig, heerlijk
14 -eren, -elen kinderen, wandelen
15 -heid   bereidheid
16 -tie > -tsie politie
17 i > ie politiek
18 isch > ies   kritisch
19 ch > sj   chauffeur
20 x > ks   taxi
21 aatje/ootje/uutje slaatje, fotootje, parapluutje
22 's foto's
23 uitspraaktrema patiënt
24 meervoudtrema financiën, strategieën
25 f/v fotografen, octaven
Weetwoorden  26 k > c  je weet hoe je een woord schrijft doordat dit ingeprent is conducteur
27 s > c cent
28 ge (zju) garage
29 's (des)  's avonds
30 ee > é pré
31 ie > y trendy
32 iaal, eaal, ieel liniaal, ideaal, partieel
33 -air, -oir plenair, trottoir
34 oo > eau cadeau