Deelvaardigheden spellen

Belangrijk bij het proces dat aan spellen ten grondslag ligt is het ontwikkelen van fonologische
(de)
codeervaardigheden. Bij spellen worden taalklanken (fonemen) schriftelijk weergegeven in letters (grafemen). Hiervoor is het nodig om de gehoorde syllaben/woorden/zinnen te analyseren in kleinere eenheden, zoals lettergrepen en klanken (auditieve analyse) en deze later weer samen te brengen lettergrepen/woorden/zinnen (auditieve synthese).

Spelling berust op conventies; afspraken over wat de op dat moment juiste spellingwijze is voor bepaalde woorden. Het goed spellen van de werkwoorden vraagt kennis van een aantal grammaticale begrippen met betrekking tot het benoemen van woorden en zinsdelen.
De belangrijkste begrippen zijn: hele werkwoord, onderwerp en persoonsvorm. Dit gaat verder dan alleen het woordbegrip: de (onbewuste) kennis over taalstructuur en de opbouw van zinnen (syntaxis) is gerelateerd aan de correcte vervoeging van werkwoorden bij spelling.

Ook morfologische kennis is nodig bij spellen. Het gaat hierbij om het verbuigen van onveranderlijke woorden (meervouden, verkleinwoorden, samenstellingen, enzovoort) en het vervoegen van werkwoorden. Bij spellen speelt het geheugen ook een belangrijke rol: zeker bij moeilijke gevallen moeten leerlingen gewoon onthouden hoe je een woord schrijft.

Samengevat betekent dit het volgende aan deelvaardigheden:

  1. Verwerven van het Nederlandse klankensysteem.
  2. Toepassen van auditieve analyse en synthese.
  3. Leren van de tekens van het Nederlands alfabet.
  4. Deze aan elkaar koppelen (codeervaardigheden).
  5. Kennen van de Nederlandse spellingconventies.
  6. Beheersen van de schrijfmotoriek.